Gezicht niet herkend

Ik ben vorige week voor het eerst sinds ik-weet-niet-hoe-lang alleen op reis geweest. Oostkamp: het eerste woord dat in me opkwam dat niet helemaal Oostende was toen de kinderen ernaar vroegen – de  koningin der badsteden geurt sinds de herfstvakantie naar door quarantaine geannuleerde dagen – en dat ook niet helemaal een leugen was. Want wat zijn een paar lettergrepen in een mensenleven?


Mijn moeder stelde voor om mee te gaan. Want een vrouw van 38 alleen en in de week dan nog! ’s Avonds alleen op straat. DANGER. Alleen aan tafel. TRIEST. ‘Ik ben in tijden niet alleen geweest!’ wil ik roepen. Door corona is er altijd iemand in huis en al zitten ze ergens waar ik hen niet zien kan of horen, al zitten ze niet met hun tenen in mijn gezicht tijdens een film: als er iemand in huis is moet ook ik iemand zijn, voor hen.

En soms wil ik zo graag niemand zijn. Onzichtbaar.


Maar dat zeg ik niet tegen mijn moeder. Een vrouw die niemand wil zijn! EGOÏST. Ik gebruik het toverwoord: ik ga daar dingen DOEN. Kerstcadeaus kopen en wandelen en typen, want doen is goed, gewoon ‘zijn’ is voor mietjes, vergeet al die Bond-Zonder-Naam-spreuken die tegen de muur van mijn kindertijd kleven.


Het eerste dat ik doe in Oostende is, uiteraard, kerstcadeaus kopen. Ik zeg tegen mezelf dat het is omdat ik al een halve leugen heb verteld en dat ik het wil goedmaken vóór mijn karma me in mijn kont bijt. Ik ben helemaal niet bang om alleen te zijn! Bang voor het lawaai dat de koelkast op de kamer zal maken, en voor de hoofdkussens, die in hotels vaak gevuld zijn met lucht? Ja. Maar bang om alleen te zijn, even niet iemand te zijn voor een ander? JIJ BENT GRAPPIG. Ik ben toch niet alleen? Ik heb mezelf, en ik ben best amusant gezelschap, als ik het wil.


Mindful denk ik, mindful en ik herhaal de gedachte terwijl ik wandel in de wind, het soort dat recht je neus in blaast en je het gevoel geeft dat je twintig PCR-testen na elkaar hebt gehad. Mindful, zeg ik, tien kilometer lang, maar het werkt voor geen meter. Mind full, ja, en ik denk aan wat Caitlin Moran schrijft in More Than a Woman, dat vrouwen bigtime zuigen in nergens aan denken en alleen voor zichzelf zijn.


Maar ik ben niet alle vrouwen en ik zet door in mijn streven naar tijdelijke onzichtbaarheid. Yes I can! En kijk: de tweede ochtend lijkt het zowaar gelukt! Wanneer ik mijn gsm wil openen met het licht van mijn aanschijn krijg ik een ‘gezicht niet herkend’. Het is niet de eerste keer, maar nu heb ik geen mondmasker aan en ben ik niet net wakker en heb ik niet net acht kilometer gelopen. De zon schijnt, en mijn gezicht ook, van dat kunnen lezen zonder een ‘ik heb kaka gedaan’ denk ik, en die wandeling waar niemand te moe voor was, en dat eten waar niemand al het water had opgedronken of plots bedacht dat er nog een tas mee moest naar school en ja NU ja.


Mijn gsm herkent me niet meer. Ook niet bij een tweede poging. Een derde waag ik maar niet want ik kijk intussen te beledigd om te slagen.


‘HOEZO GEZICHT NIET HERKEND?’ zeg ik. Mijn gsm kijkt me onverschillig aan. ‘Ik ben het!’ zeg ik, in all caps.  

‘Ik? Wie is dat, die ‘ik’?’ Mijn mobieltje is, net als mijn innerlijke bommenlegger, een groot aanhanger van aanhalingstekens.

‘Ik. Jeweetwel. Moeder van zus en zo, vrouw van dinges, bevriend met, dochter van, en collega, en ik woon daar maar kom van ginderachter. Ik.’ Ik ben niet goed bezig. Mezelf beschrijven als een opeenstapeling van rollen, zo zichtbaar in de wereld. Tssss!

Maar ziedaar, het LICHT: ‘Dat alles, maar ook, meer,’ zeg ik, en met een grijns: ‘more than a woman.’


Mijn gsm lacht me uit in mijn gezicht: ‘Begin nu niet met die ‘meer dan de som van de delen’ onzin.’

Mijn wenkbrauwen brengen een vuilgebekte monoloog. ‘En wat dan met die foto van gisteren?’ zeg ik, en ik wijs op de extra schaduw in het zand.

‘Daar bestaat een volstrekt logische verklaring voor.’


Dat is zo, maar het zal me compleet worst wezen, want wat ben ik blij met mijn dubbele schaduw, de schaduw van het onzichtbare deel van mezelf, mijn je-ne-sais-quoi, quoi! Ze is er altijd! Mijn ik die alleen van mij is, mij alleen, en waar anderen slechts glimpsen van zien. Ik was haar gewoon vergeten. Ik ben zó blij dat ik haar teruggevonden heb dat ik haar zelfs een cape teken.



Met mijn mind op 200% Bond-Zonder-Naam-kracht en mijn voet half uit de deur voor het ontbijt rinkelt mijn gsm. De school van de kinderen, of ik de oudste kan komen halen, hij heeft achtendertig graden.

‘Move over,’ zeg ik tegen mijn je-ne-sais-quoi. ‘Ik wil ook onder die onzichtbaarheidscape.’

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *